Nummer 80, Juni 2008
Inhoud
vDe romantische geschiedenis van le Tacot
vInternationale fietsweek (semaine Fédérale Internationale de Cyclo-Tourisme)
vécol’Ô Toulouse
vBrandstofkosten en warmtepomp
vWat houd ik toch van mijn dorp
vMobieltje
vANEAS
vATV (automated transfer vehicle)
vDe jaarvergadering is in Meyronne
vEen hartelijk welkom bij de noordelingen
vC’est du sport ! (het is een moeilijke zaak)
vBorgsom bij huur
vReisverzekering
vTerug naar Nederland
Redactie:
Beer Berenschot (financiën),
Irene Gramberg,
Stéphanie Noordhoff,
Ronald Root,
Mariette Sobels en
Jeannette van der Velde
Aan dit nummer hebben verder meegewerkt:
ANEAS
Joost Fernig
Frits Hoekstra
Mariette Piket
Rob Scherjon
Renso Vonk
Rietje M. Vonk
Veertien
jaar geleden verbleef ik met mijn man, Thierry, in Kourou. In
de buurt van deze kleine kustplaats wordt de Ariane-raket
gelanceerd.
Bij gebrek aan bioscopen en theater, vervelen stadsmensen uit
de métropole (Frankrijk, het Europese deel) zich gauw
in Kourou. Hangend aan de bar met hun collega's vullen zij hun
avonden met het drinken van 'tipunch. De
petit-punch of 'tipunch is een populaire borrel
en bestaat uit rum met limoensap. Heden ten dage is de geur
ervan al voldoende om me terug te transporteren naar Guyane.
Maar dit heerlijke drankje is verraderlijk. Want wie
onschuldig of gulzig (gourmand) is of gewoon dorst
heeft, hijst al snel een grotere hoeveelheid naar binnen dan
verstandig is. Terwijl Moeke in Parijs thuiszit, laat de
minder brave huisvader zich verleiden door een aantrekkelijke
Braziliaanse. Zulke jongedames beheersen de kunst van het
versieren (draguer) tot in de puntjes. Helaas hebben
zij nog meer interesse voor de portemonnee van Monsieur
en is het AIDS-ratio in Guyane hoog.
Wie wèl oog en hart heeft voor de natuur, verveelt zich geen
ogenblik. Er zijn bij voorbeeld allerlei soorten palmen:
bananen- en cocospalmen, maar ook aouara, waarvan een
gerecht wordt gemaakt. Wie dit eet, zal terugkomen in Guyane.
Ik hoop het. Een andere palm heet arbre du voyageur
(reizigerspalm). Hij ziet eruit als een waaier.
In de ruimtes
tussen de bladerstelen blijft het regenwater staan. Dat kunnen
reizigers drinken. We kopen ook punch-comou, een
cocktail met rum. Comou wordt ook wel de cacao van de
Indianen genoemd. Het komt van een palmsoort die een soort
paardestaarten met kleine vruchtjes in de boom heeft
hangen.
Op de markt vind ik een
kleurrijke verzameling groente en vruchten. Er zijn enorme
grapefruits (chadeks), een scala van kleine gele
mini-bananen tot grote bakbananen, ananas en mango. De
papaya's smaken heerlijk in combinatie met passievruchten. De
passiebloemen bloeien hier tot mijn verbazing in het rood. De
vruchten worden donker en gerimpeld verkocht. Bizar zijn de
velden met ananasplanten. Ook de zoete aardappelen,
manioc/kassave en kouseband (een soort lange sperciebonen) van
de markt smaken heerlijk. Al deze waren hebben niet gereisd
naar Europa en dat proef ik. Met kookboeken leer ik om ze
klaar te maken. Fout kan het eigenlijk niet gaan met zulke
verse ingrediënten. Ik vermaak me prima met het bereiden van
broodvrucht, geflambeerde bakbananen, een mangosalade van
onrijpe mango's of een hondensaus (sauce chien) zonder
hond maar met verse pepers en limoen.
Wat ik heel spannend vind, zijn de nachtelijke kanotochten. Na
het werk, laden we een of meerdere kano's op een trailer. We
rijden naar een rivier niet ver van Kourou en tillen de boten
het water in. De spullen die niet nat mogen worden, stoppen we
in grote, plastic haringtonnen met schroefdop. De tonnen zijn
vastgebonden aan de boot, mocht deze kapseizen.
Inmiddels wordt het snel donker. Stilte is er niet in het
oerwoud. Overal om ons heen horen we geluiden van kikkers,
apen, en ander gedierte. In het donker lijkt het oerwoud nog
meer te leven. Terwijl we onze stemmen dempen, peddelen we
voorzichtig voort. Niet met geweren maar met zaklampen
proberen we de dieren te vangen in het schijnsel van onze
lampen. Als we twee rode lichtjes in ons schijnsel hebben, is
het raak. Gebiologeerd door dit onverwachte licht, staan de
dieren roerloos. Langzaam peddelen we in hun richting terwijl
we ons schijnsel blijven richten. Vreemdsoortige varkens,
bizarre reuzenhazen, die ook wel iets van hertjes hebben, maar
ook spinnen of kaaimannen. We kunnen ze soms tot heel dichtbij
benaderen. Anderen vluchten vrij snel weg. Iedereen die
meegaat is enthousiast. We worden triest bij het besef, hoe
makkelijk beesten op deze manier neergeschoten zouden kunnen
worden. Een dier heeft op deze manier geen schijn van
kans.
Overdag maken we soms tochten door zompige kreekmoerassen
tussen de hoge begroeiing tot we bij de open zee aankomen. We
laten de boot glijden langs mangroves (palétuviers).
Boven het water kruisen hun luchtwortels zich als enorme
skeletvingers, over en door elkaar. Zo verkrijgen de bomen
zoveel mogelijk oppervlak om zich te wortelen. Op modderige
plekken zijn de gros-yeux aan het wachten op ander
getij. Het zijn bizarre visjes met ogen die zowel onder als
boven het water kunnen kijken. Ze worden ook wel “vieroog”
genoemd. Met hun voorvinnen kruipen ze de modder op.
Als we weer teruggaan richting jungle stoot ik een keer bijna
mijn hoofd. Vaak zijn er laag overhangende takken. Ditmaal is
het een luiaard (mouton paresseux). Hij ziet
eruit als een lome dikke aap en beweegt zich héél langzaam
voort. In panieksituaties kan hij heel snel reageren, maar dat
is niet goed voor zijn hart. We kunnen hem van zeer dichtbij
bekijken. Ik zie tussen de dikke haren van zijn vacht allemaal
beestjes rondkriebelen.
Brrrr, die heeft mijn hoofd net gemist!
Frans Guyana Deel 4: De groene hel - de strafkampen
Vanuit
ons huis op het vasteland kan ik in de verte les îles du
salut: de eilanden der redding ontwaren. Hun naam kregen
deze eilanden in de 18e eeuw, toen Frankrijk Guyane trachtte
te bevolken. Het vasteland bleek een groene hel te zijn door
gele koortsepidemieën en water- en hongersnoden. De
overlevenden vluchtten naar deze eilanden, waar geen muggen
waren.
Natuurlijk
stap ik in de boot die naar deze eilanden gaat, één van de
klassieke excursies. De eerste indruk is die van een paradijs,
zo in de zon met overal enorme kokospalmen aan het strand.
Hier is het water wel azuurblauw en helder, in tegenstelling
tot het vasteland waar het water modderig is door de monding
van de Amazone. De toeristen voelen zich in het begin, als ze
in zomertenue de boot uitstappen, zo licht als een veertje
door het vakantiegevoel. Maar al lopend tussen de ruïnes van
de cellen van de bagne
(strafkolonie),
treedt er een gevoel van vervreemding op: hier is
geleden, héél véél geleden. De cellen zijn klein en de hitte
moet onverdraaglijk zijn geweest. Hier kwamen de (politieke)
gevangenen om dwangarbeid uit te voeren, niet voor vakantie.
Er waren geen daken in de cellen en ze konden dus constant in
de gaten gehouden worden.
Dreyfus
en Papillon zijn de bekendste dwangarbeiders. Dreyfus was een
Franse officier die van spionage beschuldigd werd. Hierdoor
ontstond een groot politiek schandaal, waarbij uiteindelijk
bleek dat hij onschuldig was. Henri Charrière (Papillon),
schreef over zijn eigen ervaringen in de bagne een boek, dat
verfilmd is. Ontsnapping door te zwemmen was niet mogelijk:
het vasteland, twintig kilometer verderop was onbereikbaar
door de sterke stromingen en de haaien.
In de
negentiende eeuw werden niet alleen politieke gevangenen
gedeporteerd. Na de afschaffing van de slavernij, werden de
gevangenen gebruikt als werkkrachten. De gevangenen moesten na
hun straf echter nog dezelfde tijd als hun straf geduurd had,
in Guyane verblijven alvorens te mogen terugkeren. Was de
straf langer dan acht jaar, dan waren ze levenslang verbannen
tot deze kontreien. De bedoeling was, afgezien van het
weghouden van criminelen in de métropole (het
moederland Frankrijk), het bevolken van dit overzeese
gebiedsdeel.
Alleen al
de tocht over zee op het schip, waarin de gevangenen gedurende
een maand nauwelijks op dek kwamen, kostte al vele levens. Wie
dit overleefde was vaak al in slechte conditie. Vaak wordt er
gesproken over « le » bagne, maar in feite zijn er
wel een dertigtal gevangenissen. De groepen gevangenen werden
in diverse kampen opgedeeld al naar gelang ze tegenstanders
van het régime waren op het gebied van politiek of religie, of
veroordeeld waren wegens spionage. Als ze bekend waren, zaten
ze meestal weer in een ander kamp. Maar ook “gewone” dieven en
moordenaars zaten er vast. Multirecidivisten en degenen die
een mislukte ontsnap-pingspoging hadden ondernomen, hadden het
het zwaarst te verduren. Afhankelijk van hun lichaamsbouw
moesten gevangenen lichter of zwaarder werk doen. Sommigen
moesten in grote snelheid bomen omhakken en in sommige kampen
was de overlevingstijd een paar maanden en bedroeg het aantal
sterfgevallen wel 50%!
In 1923
gaat de journalist Albert Londres naar Guyane. Hij is volledig
geschokt door de onmenselijke (dit is het beste woord
hiervoor) toestanden die hij aantreft en die bij velen niet
bekend zijn. Zijn artikelen geven zo veel reactie in de
publieke opinie, maar ook bij de politici, dat er een nieuwe
gouverneur van Guyane wordt aange-steld en dat bepaalde
omstandigheden veranderen. Maar desondanks blijft dit
vreselijke systeem bestaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was
er weinig aandacht van de Franse overheid en wisten vele
gevangenen te ont-snappen via Suriname. Vanuit Suriname gingen
ze naar het onbezette deel van Frankrijk. Aan het eind van de
oorlog heeft het Leger des Heils hulp verleend aan de
gevangenen, die het gebrek aan eten en medische zorg overleefd
hadden. Pas in 1953 werd er een eind gemaakt aan deze zwarte
bladzijde in de Franse geschiedenis.
Mariette Sobels,
31400
Toulouse
Bronnen:
http://guyane.rfo.fr (artikel geschreven door Barbara
Laup, février 2007), wikipedia: albert londres,
papillon.
Le secret du Dr.
Bougrat,
geschreven door Christian Dedet (Ed.
Phébus) is
een roman gebaseerd op een waargebeurde geschiedenis. Het
speelt zich gedeeltelijk in de bagne van Guyane af.
Papillon
, geschreven door Henri de Charrière (Ed. Laffont). Op zijn
boek zijn commentaren verschenen:
les
quatre vérités de Papillon, geschreven door G. Ménager en
Papillon épinglé, geschreven door G. de Villiers,
waarin naar voren komt dat sommige avonturen, beleefd door
Papillon, eigenlijk een compilatie zijn van omstandigheden die
andere bagnards beleefd hebben. De film Papillon kwam
in 1973 uit met Steve McQueen en Dustin Hoffman.
Drop of Stroopwafels in 2007
In 2007 brachten we onderwerpen ter sprake zoals het
nieuwe zorgstelsel en de gevolgen voor Nederlanders in
Frankrijk, belastingen in Frankrijk, het
financieren van eigendommen, het inruilen van een
Nl-rijbewijs voor een Frans. En daarnaast over zwart laten
werken, over alle "wels en wee's" van elektriciteit,
over de mogelijkheden de sucsessierechten te verminderen,
enfin, nog zoveel meer. Zie verder ook de index "oude
jaargangen".
Het volgende artikel - van de hand van Kees Keijzer - is de
uitgebreide versie van het verhaal over Clairvivre dat in Drop
of Stroopwafels (eind 2007) is gepubliceerd.
2.Aanleiding.
Tijdens de Grande Guerre 1914-1918 werd
gas gebruikt als strijdmiddel. Er vielen vele doden maar er
waren tevens veel slachtoffers met beschadigde longen, die
extra gevoelig waren voor TBC.Tegen de tuberculosebacil was
geen kruid gewassen, de ziekte gold als zeer besmettelijk.
Strenge hygiëne, rust,schone lucht met zuurstof, goed voedsel,
gaven verlichting, levensverlenging en soms genezing. In
Europa waren inmiddels sanatoria verrezen in bossen en aan
zee. In de oorlogslanden eisten, vroegen en kregen de
veteranen extra aandacht.
Veel bonden van Oudstrijders, vaak opgedeeld in categoriën: blinden, verminkten, longbeschadigingen kwamen vooral op voor hun uitkeringen. Zij konden veel politieke druk uitoefenen. Zo ook de F N B P: Fédération Nationale des Blessés du Poumon, in 1924 uitgebreid met de C van Chirurgicaux vanwege chirurgisch ingrijpen (long en bot). Albert Delsucwerd hun succesvolle secretaris-generaal.
In 1929 werd door de bond FNBPC een plan aangenomen tot oprichting van zo’n Cité.
Stad van 5000 inwoners, hospitaal, sanatorium, feestzaal, centraal winkelmagazijn. 500 huizen, diverse soorten scholen, postkantoor, administratiegebouw, ateliers voor verschillende ambachten, drukkerij, boerderij, speelvelden, parken. Wonen in gezinsverband met solarium, veel ruimte, balkons met uitzicht.Huisvesting van alleenstaanden in het hoofdgebouw = Grand Hotel. Een (socialistisch getinte) droom van solidariteit, vooruitgang, beschaving. Uitgangspunten waren o.a. dat er geen individueel (grond) eigendom zou zijn en dat de Cité zelfvoorzienend was.Een plan dat veel verder reikte dan het Engelse voorbeeld.
Uitwerking :
1. De keus van de locatie
In
1929 werd
een
Société Anonyme opgericht: La Maison des Blessés du
Poumon.
Enorme druk werd
uitgeoefend op parlementariërs, haast was geboden vond Delsuc
met zijn bond van 110 000 leden. In juni 1930 voteerde de
Senaat 60 miljoen francs, uitgekeerd aan het Ministerie van de
pensioenen dat het bedrag doorschoof naar het nationale fonds
oorlogsslachtoffers voorgezeten door de minister van oorlog
met de magische
naam
Maginot. Delsuc was ondertussen
al begonnen met het zoeken naar een plaats van vestiging. Hij
kwam uit de Périgord en vond daar ook een plek in Cubjac.Maar
de inwoners van die gemeente waren erg bang voor besmetting
met de tuberculosebacil, in Frankrijk toen genoemd naar de
ontdekker: le B.K.= Bactérie Koch. In Salagnac was men bereid
medewerking te verlenen. Bovendien was daar
een
staatsbos: Forêt Domaniale de
Born, waar ooit de
12e
eeuwse dichter Bertrand de Born
jaagde en wiens familie eeuwenlang aanwezig is geweest in en
rondom het beroemde Château de Hautefort. En de staat kon
meewerken door 34 ha van het bos (gelegen op gemiddeld zo’n
300 m. hoogte) aan de bond FNBPC te verkopen, waarna nog 48 ha
van kleine boeren werd verworven rond een plekje Bellegarde
geheten.waarbij ook nog twee (stuw)meren lagen. In de omgeving
bleef jarenlang verzet smeulen tegen de komst en aanwezigheid
van de “tubards” ondanks de verzekering van medische zijde dat
besmetting voorkomen kon worden door het in acht nemen van
goede hygiënische maatregelen.
2. de Bouw Algemeen in 2 jaar 1931-1933. Kom daar nou ’s om!
Delsuc wist dat het budget niet
toereikend was en drong aan op snelle efficiënte aanpak.
Erwerd gekozen voor voornamelijk systeembouw uitgevoerd in
bewapend beton.Op de plek waar later het zgn.Grand
Hôtel-Sanatorium zou verrijzen was een steensoort gevonden die
bij de bouw gebruikt kon worden en zo exploiteerde men een
eigen steengroeve.De uitvoering van het werk werd gegund aan
de firma Gross et Rittman uit St.Louis bij Straatsburg,
die
eigen
Elzasser
personeel meenam uit de Ht.Rhin.
Na studie van de ondergrond werd in 1931 begonnen met
ontbossing en ontginning.Er werkten dag en nacht ongeveer 800
arbeiders in drie ploegen. Er werden ook enkele
(graaf)machines ingezet en materiaaltransport gebeurde met
kruiwagens en karretjes op rails: paarden trokken de wagons
omhoog, met mankracht en zwaartekracht.ging het omlaag. De
meeste werkers kwamen uit het buitenland: Polen, Tsjechen,
Algerijnen en goedkope Albanezen. Al die lieden werden op het
terrein en bij omliggende boerderijen ondergebracht in
varkenstallen, bakhuizen, schuren en in apart ontworpen
barakken waarvan er nog een enkele aanwezig is, al dan niet
verbouwd.
.3. De
Architect(en)
De architect werd
Pierre
Forestier, 28
jaar, die in Algerije had gewerkt voor de overheid.
Hij was beïnvloed door het Bauhaus, de Stijl (kleuren ). Hij
was een bewonderaar van Le Corbusier. Forestier had
tuinstad-ideeën die goed
aansloten
bij de groene gedachten die
leefden binnen het bestuur van de Bond.dat tevens achter de
ideologie van het “Nieuwe Bouwen”stond. Bij het doornemen van
tijdschrift- en krantenartikelen
bij de opening van het complex en
bij beoordelingen door architecten, komt men herhaaldelijk de
termen “Constructivisme “en
‘’Functionalisme ‘’tegen..
Toen er tijdens de bouw in1932 tekorten ontstonden, moest er
uit Parijs bijgespijkerd worden en werd er stevig bezuinigd.
Bovendien ging de Bond uit eigen kas lonen doorbetalen omdat
in 1933 de firma Gross in financiële problemen kwam en het
werk kort stil kwam te liggen. Met veel kunst-en vliegwerk
werd de openingsdatum van 30 juli 1933 gehaald.Er moest toen
nog worden afgebouwd, maar enkele paviljoens waren al
bewoond.
Forestier
maakte gebruik van de laatste
technische ontwikkelingen wat blijkt uit de toepassing van
systeembouw en moderne betonconstructies. Bovendien was hij
een uitstekend organisator en gebruikte bij de bouw het
moderne Taylorsysteem. Hij was goed op de hoogte van de
sociaal-culturele ontwikkelingen op architectonisch gebied in
Europa. Veel van die kennis en ideeën kon
hij
toepassen en verwezenlijken,ook
aan de binnenkant van de gebouwen bij indeling en
constructie.
Voor de parkachtige
aanleg
tekende
Ferdinand
Delprat, een
tuinarchitect met een gevestigde reputatie die ook in
Nederland een kantoorvestiging had. Hij werkte ook in Parijs
en België en had landschapsarchitectuur gestudeerd in
Engeland, ( Kew Gardens) want een adequate opleiding ontbrak
in Frankrijk begin1900. Net als Forestier en Delsuc was
Delprat oud-strijder. Ook hier werden begrotingen fors
overschreden. Maar de groen-aanleg bleef doorgaans gespaard
voor grote bezuinigingen.
4. Het Groen
Er
werd
bij de aanleg van het groen
rekening gehouden met bodemsoort, helling, microklimaat.
Bestaande bomen werden zo mogelijk gehandhaafd. Uit alle
hoeken
van
Frankrijk werden struiken en
bomen gevraagd en aangeplant en het hele jaar door moest er
kleur en bloei te zien zijn .Veel aandacht kregen de
speelruimten voor kinderen.
Overal
liepen er slingerpaden naar de
woningen, rechte avenues en afscheidingen ontbreken.Tuinen en
parken werden royaal aangelegd om de woonpaviljoens heen, maar
vooral tussen de werkruimten aan de zuidkant en de
hoofdgebouwen. Een sportveld ontbrak niet.
5.De Gebouwen
Typerend zijn naast al
het groen de platte daken, vele betonconstructies van
zitbanken,
muren
gebouwen, de oorspronkelijke
kleurstellingen van de muren, de bezonning en ligging van de
woningen.
a
. Er werden 350
woon-eenheden
2 aan 2 gebouwd
(paviljoens),
in diverse typevariaties,van 58
m2 tot 131 m2.Er was per wooneenheid een ziekenkamer met
loggia en balkon op het zuiden, badkamer, kinderkamer(s),
eet-zitkamer, keuken
met
elektrisch fornuis en koelkast,
koud en warm stromend water. Iedere woning was goed geïsoleerd
en onderkelderd.
b . Het hoofdgebouw ( Hôtel-Sanatorium)gelegen aan het centrale plein heeft 7 verdiepingen, een gevellengte van 160 meter. Het kreeg aan de voorzijde 200 appartementen voor alleenstaanden en verder een royale ontvangsthall, eetzaal, keukens, personeelsruimten, vergader- en andere zalen, bibliotheek. Alle dienstruimten zijn aan de noordkant gelegen. Op de 7e verdieping was voorzien in een café met terras.
c. Les Magasins Générauxvan met halfronde gevel en 4 bouwlagen. Gelijkvloers de kassa’s, afdelingen tabak, papier, bloemen en verder levensmiddelen. De verdiepingen elk 1300 m2 groot, hadden een hoogte van liefst 4,50 m.Er waren trappen en liften. De presentatie van de koopwaar moest modern en royaal zijn als in de grote Magasins de Paris. Kleding, huishoudelijke artikelen, meubels, fotoartikelen: alles was aanwezig en boven was er een salon de thé met expositieruimte en een geweldig fraai uitzicht tot aan de heuvelrij van Hautefort met zijn hospitaal en kasteel.Een hoorn des overvloeds moest het Magasin zijn, toegankelijk voor alle bewoners die daar hun geld konden (en moesten) besteden.
d . Het administratiegebouw werd tegen een rotswand gebouwd. De derde verdieping is 3x zo groot als de onderste bouwlaag waar ook nu nog een postkantoor is gevestigd. De bovenverdieping dient nu als gemeentekantoor.
e .In de noord-oosthoek werd het ziekenhuisgeplaatst, beschut gelegen tegen de bosrand aan. Het werd een volledig uitgerust ziekenhuis met een consultatiebureau, apotheek.Alle patiëntenkamers lagen op het zuiden en hadden een balkon.Er was een kraamafdeling, sectie oogheelkunde, radiologie, tandheelkundige kliniek.Belangrijk was de operatiezaal met de chirurgische afdeling die tussen met name 1939 en 1945 volop heeft gefunctioneerd. Het gebouw leverde Forestier nog verschillende opdrachten op voor de realisatie van regionale ziekenhuizen.
f .In het Etang de Born op 2 km afstand van Claivivre werd op palen een restaurant gebouwd, centrum voor veel feesten. Het brandde af op 13 april 1973.In het meer werd gezwommen en gevaren, hetgeen nu verboden, is want de vissers wonnen het politiek van de zwemmers.
6. Werkgelegenheid
De
Zône Industrielle
werd aangelegd op afstand van de
woongedeelten. Er was een grote drukkerij, reparatieafdelingen
en garages voor het eigen grote wagenpark dat ook nog
verschillende autobussen bevatte die busdiensten onderhielden
met Brive en Périgueux. Er
was
een abattoir, smederij, was- en
strijkinrichting enz. En er was een boerderijgedeelte met
moderne legbatterijen, varkensstallen, melkinrichting.Er waren
moestuinen en kassen die later nog zijn verbouwd en
uitgebreid. Zelfvoorziening was de bedoeling en mogelijke
verkoop het streven.Dat kwam in de oorlog goed van
pas.Tegenwoordig is Clairvivre een belangrijk regionaal
kweekcentrum voor bloemen en planten.
7. (Nuts) Voorzieningen
Men bouwde een
eigen
elektriciteitscentrale
,
waarvan de generatoren gestookt
werden op olie uit Bordeaux aangevoerd met
3
tankwagens in zelfbeheer. Er
kwam een
pompstation
met
gefilterd
water uit de Auvezère
bij Pervendoux,
een
rioolzuiveringsinstallatie
voor afvalwater. Regenwater werd
vanaf 1932 apart opgevangen en afgevoerd!
Alle huizen hadden elektriciteit, douche, warmwater,
rioolafvoer,
telefoon
aansluiting,
radio
distributie (TSF) en
alle
leidingenwaren
onzichtbaar, ingebouwd
en
ondergronds
aangelegd.
De opening 30 juli 1933 trok
grote aandacht. Er kwamen ministers uit Parijs, het ballet van
de Opéra gaf een uitvoering, het orkest van de Garde
Républicaine speelde, er traden 12 folkloristische groepen op
uit het hele land en er was een concert van Schotse
Hooglanders, vuurwerk boven het Etang de Born , spelen voor
kinderen en nog veel meer.
Er werd niet op een frank gekeken. Zo stond op de bestellijst
voor het diner een post van 6000 flessen Chambertin-Bourgogne.
Delsuc was een echte gourmand en nogal autoritair. Alles in de
Cité moest in stijl gebeuren. Gasten werden in het restaurant
bediend door obers in smoking. Servies, bestek en tafellinnen
waren modern van uitvoering en perfect van kwaliteit.
Voor de bewoners van de Cité en voor hun kinderen was het
vaak een
sprookjeswereld waar
zij in kwamen te verkeren, zo tussen 1933 en 1939. Feesten met
vuurwerk boven het Etang de Born, reizen met de autobus, op
vakantie naar Parijs, naar zee en zelfs naar Zwitserland
en
naar Marokko. Kinderen kregen
veel aandacht wat zich ook vertaalde in onderwijs met modern
materiaal (o.a.filmvertoningen.). En met kerst kregen kinderen
fraaie cadeaus.
In 1933 waren er 150 gezinnen
gehuisvest.Met het afbouwen moest men vaak wachten op
uitbetaling van subsidies en in 1937 waren er slechts 440
inwoners. Dat veranderde door de komst van vluchtelingen uit
Spanje (1937-1939) en uit (vooral) de Elzas vanwege de
oorlog,
Van
Werkelijkheid
en Droom
Omdat Delsuc en zijn
medestanders al deze
luxe ideologisch
verdedigden en bovendien van
zelfvoorziening uitgingen van hun Cité, leverde dat jaloezie
en gemor op bij de commercie in de regio, bij bewoners die
niet mochten of konden profiteren én bij politici en de
ambtenarij van het departement. Ook in eigen kring was
erkritiek
van vooral communistische zijde
die het gesloten en elitaire karakter van de Cité onjuist
vonden. Men was er zelfs toe overgegaan
om
het terrein van muren te
voorzien, wachten aan te stellen, prikkeldraad aan te brengen
deels uit veiligheidsoverwegingen maar ook om handelaren van
buiten te weren.
Het ging de FNBPC om méér dan
TBC-bestrijding. De maatschappij moest veranderd worden en dat
zou ook zichtbaar worden gemaakt in Clairvivre als
voorbeeld-nederzetting.
Delsuc, socialist, en Hazemann,
communist, Forestier met linkse ideeën:het waren wat men in
Frankrijk noemt: des gens
gauche-caviar
. Ze hebben wel iets unieks
neergezet.
CLAIRVIVRE à la réalité de l’utopie DEEL II Van Verandering en oorlog
1.Spaanse vluchtelingen
De Volksfrontregering onder
Léon Blum opende de grens voor Spaanse vluchtelingen. In 1937
en in 1939 opnieuw, werden in Clairvivre veel Spaanse gezinnen
gehuisvest en gewonden verpleegd. 63 paviljoens werden
gevorderd, verpleging werd betaald door de Staat.
2. 1939-1940
De Franse regering gaf
bevel grensstroken in de Elzas te ontruimen en zo kreeg in
september 1939 Clairvivre een compleet universitair ziekenhuis
uit Straatsburg, met materieel, stafleden en verzorgend
personeel plus 800 burgerpatiënten. Lange treinen voerden
alles aan via een zijlijn van de SNCF, station
Hautefort-Boisseuilh. Er is nog steeds een stationsgebouw met
laadstation en toiletten te bezichtigen in de buurtschap La
Gare. In totaal waren er 20 000 Elzassers alleen al in de
Périgord
ondergebracht.Daar kwamen
nog veel vluchtelingen bij toen de Duitsers oprukten in
Frankrijk.En wat later vond een aantal door de Duitsers als
ongewenst beschouwde Elzassers een dak boven het hoofd in
Clairvivre. Salagnac had in 1942 2000 inwoners, merendeel
wonend in Clairvivre…
Uit Parijs kwam het echtpaar Joliot -Curie,Irène en Frédéric, in diep geheim naar Clairvivre. Ze hadden radioactief materiaal meegenomen. Joliot had er voor gezorgd dat zwaar water nog via Bordeaux naar Engeland verscheept werd. Hij maakte zich in Clairvivre verdienstelijk bij de ombouw van het rijdend materiaal op houtgasgeneratoren toen benzine ging ontbreken.
Na de capitulatie 22 juni 1940 verordonneerde het Duitse Gouvernement de terugkeer van de medische faculteit naar Straatsburg.Er werd druk uitgeoefend op personen “om deel uit de maken van, en mee te helpen aan de opbouw van het grote Duitse rijk omdat de Elzaskwestie nu voor goed geregeld zou zijn”. Vanaf 27 augustus 1940 vertrokken er 2 treinen met materiaal en personeel naar Straatsburg, gevolgd door 7 treinen met ruim 1600 wagons en 1900 mensen .Een aantal “spijtoptanten“ keerde later nog terug naar Clairvivre.
Het Franse Ministerie van Oorlog heeft nog kunnen meehelpen aan de herinrichting van het inmiddels leeggehaalde ziekenhuis. Er was al besloten een ”Hôpital des Réfugiés de la Dordogne” in Clairvivre te handhaven.De Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken zorgden voor de financiën. Er werd weer gestart (eind oktober 1940) met 120 bedden, later uitgebreid tot 340. De patiënten kwamen van heinde en ver. In Périgueux had zich een aantal artsen uit de Elzas gevestigd met wie werd samengewerkt. Beroemd werd vooral de bekwame en moedige Professeur Fontaine een chirurg die soms dag en nacht doorwerkte. Hij was in’40 met een groep artsen in Clairvivre gebleven samen met de ”Soeurs de la Charité de la Toussaints” en “Saint Vincent de Paul” en andere medewerkers, waaronder een in Frankrijk befaamde Professeur Amblard, anti Duits en anti-fascist.
3. De Nieuwe Orde van Pétain
Àlle
oudstrijdersorganisaties moesten van Pétain opgaan in het
“Légion
Française des Combattants”,
dat
kon rekenen op zijn persoonlijke
bescherming en over een ruim budget.. kon beschikken.De
drukkerij kreeg opdrachten van het Légion en bloeide op.De
FNBPC viel onder de Vichy-wetgeving en moest alle bezit
afstaan.Delsuc en zijn actieve (tweede) echtgenote werden
weggejaagd uit Clairvivre door La Légion. Met hen verdween een
groep medewerkers, de “Delsucards”.
Vichy stelde de generaal
Poiret aan als directeur, bijgestaan door de administrateur:
kapitein Selvez. Zij werden dan wel benoemd door de
Vichy-regering maar deden hun uiterste best de inwoners van
Clairvivre
te beschermen en voorzieningen in
stand te houden. Zij sloten hun ogen voor de aanwezigheid van
een vijftigtal joodse vluchtelingen.Het was bekend dat je bij
controle of razzia veilig was in de lijnbus van de Cité
Sanitaire van Clairvivre die voor de SNCF-stations in Brive of
Périgueux.geparkeerd stond.
Die
bus werd niet gecontroleerd door
de
Duitsers, bang als ze waren voor
besmetting. Zo werden er joodse
mensen gered. Zij kregen veilig
onderdak en werk in Clairvivre.Ook kwam er een instroom op
gang van weigeraars van de verplichte tewerkstelling,
ArbeitsEinsatz of in het
Frans
STO, Service du Travail
Obligatoire.
&nb